Lifestyle community voor Friese onderneemsters

Search
Close this search box.

‘We vallen te snel terug in oude patronen, dan gaat iedereen op maandag gewoon weer verder met alle onzin’

Ver voordat het hip werd, woonde ze al ‘off the grid’ in het Friese Ferwert. Zwierf als journalist en kunstenaar jarenlang over de wereld en ontmoette grote kunstenaars, wetenschapper en spiritueel leiders. Louwrien Wijers, een tachtigjarige avant garde kunstenaar en schrijver die zichzelf blijft vernieuwen. “Creativiteit is het werkelijke kapitaal. Geld is slechts een rechtsdocument.”

Ze draagt roze lipstick en heeft haar ogen licht opgemaakt. In de stijlvol gevormde grijswitte knot op haar hoofd zit geen haartje verkeerd. Haar kleding is kleurrijk. Doordat ze veelvuldig glimlacht krijgt haar karaktervolle blik iets zachts. Er wordt wel eens gesproken van zogenoemde wijze vrouwen, zij zou een rolmodel kunnen zijn. Louwrien Wijers is tachtig jaar en nog altijd een avant garde kunstenaar en schrijver die zich bezighoudt met kunst, economie, wetenschap en spiritualiteit. “Geld is maar een middel. Het gaat om creativiteit. Alleen door je met kunst, wetenschap en spiritualiteit bezig te houden, kun je je talenten ten volle ontdekken en leren te benutten.”

louwrienwijers 1

Het is een visie die om uitleg vraagt. Wat wil Louwrien met haar werk duidelijk maken? Werk dat haar nog dagelijks bezighoudt. Vanuit een atelier in het Friese Ferwert, waar ze een leven leidt dat ver afstaat van een gemiddeld burgerlijk bestaan. Ze woonde eerder in Londen, Parijs en kwam regelmatig in New York en Tokyo. Ontmoette bekende kunstenaars als Joseph Beuys en Andy Warhol, grote economen en spirituele leiders als de Dalai Lama. In 1978 werd ze kraakwacht voor een afgelegen Fries huis. In mei 2012 verliet ze Amsterdam en streek neer in Friesland. In het buitengebied van Hallum.

Waar de Dalai Lama, John Cage en Marina Abramoviç elkaar ontmoeten

Terug in de tijd. Sommige mensen zullen zich de internationale conferentie in het Stedelijk Museum in Amsterdam uit 1990 nog herinneren: ‘Art meets Science and Spirituality in a changing Economy.’ Ze brengt in dat jaar als initiator belangrijke kunstenaars, wetenschappers, spirituele leiders en economen samen in paneldialogen, onder hen de Dalai Lama van Tibet, de Amerikaanse kunstenaar Robert Rauschenberg, de Amerikaanse avant garde componist John Cage, de in Rusland geboren maar in Brussel beroemd geworden fysisch chemicus en wetenschapper van de chaos theorie én nobelprijswinnaar Ilya Prigogine, Amerikaans conceptueel kunstenaar Lawrence Weiner, Russisch econoom Stanislav Menshikov, Brits quantumnatuurkundige David Bohm, Servische kunstenares Marina Abramoviç met Nederlands paspoort, de Oostenrijks-Amerikaans natuurkundige Fritjof Capra en Indiaas-Spaans Hindoe en katholiek priester en wetenschapper Raimon Panikkar. Een indrukwekkend gezelschap. In het publiek zitten leden van het Nederlands Koningshuis, uit alle delen van de wereld ingevlogen medewerkers van hoofdsponsor SHV en alle mogelijke internationale diplomaten en kunstenaars. In de zaal van het Stedelijk Museum wordt in panels gesproken over kunst, wetenschap, spiritualiteit en economie. De registratie daarvan wordt een videokunstwerk van vijf delen, voor elke dag een aflevering, dat in 52 landen op de televisie kwam, soms met vele herhalingen. De paneldialogen en registraties noemt ze haar Mentale Sculptuur. Het is dit deel van haar kunstzinnige leven dat zo bekend is geworden, maar Louwrien deed zoveel meer. Daarom beginnen we bij het begin.

Marina Abramović The Artist Is Present Viennale 2012
Marina Abramoviç

‘Mijn moeder gaf op een geweldige manier acte de presence’

Voordat wereldsteden in ons gesprek voorbijkomen, duidt ze op haar start in het Achterhoekse Aalten, een dorp vlakbij de Duitse grens. “Het heeft me de eerste achttien jaar van mijn leven gevormd,” vertelt Louwrien, die er in januari 1941 werd geboren. “Ik kreeg een Keltische opvoeding zoals dat daar gewoon was. Het betekende onder meer dat je zo werd opgevoed dat je op een gegeven moment zelfstandig de wijde wereld in kon. Na je achttiende moest je erop uit en het verder zelf uitzoeken. Dat wist je al van jongs af aan en dat had tegelijkertijd iets stevigs, iets waar je op kon rekenen.” Haar eerste achttien levensjaren worden gevormd door oorlogsjaren en een matriarchale samenleving waarin vrouwen een centrale rol spelen. “Enorm verruimend om te ervaren hoe het is wanneer blijkt dat de dingen niet blijvend zijn,” vertelde ze in een eerder interview over de oorlog en haar ouderlijk huis zo vlakbij de Duitse grens, dat door een bombardement van de Engelse bevrijders op 24 maart werd vernietigd. Maar liever praat ze over dat andere aspect van haar jeugd, de kracht van vrouwen. “Vrouwen hadden aanzien. Wij hadden een winkel voor onder andere patisserie van een hoge kwaliteit. Klanten kwamen overal vandaan en mijn moeder zwaaide er de scepter. Zij stónd voor dat bedrijf, mijn vader zag je soms in de achtergrond. Nu moet je weten dat mijn grootvader in zijn leven had geïnvesteerd in Duitse huizen. Dat werd in 1932 door toedoen van Hitler in een klap weggevaagd. Als Nederlander raakte mijn vader dat totale Duitse familiebezit kwijt. Tijdens hun wittebroodsweken wist mijn moeder al dat er niets meer van over was en moesten ze in het begin van hun huwelijk helemaal opnieuw beginnen. De creatieve geest van mijn vader leidde ertoe dat ze de patisserie, en de organisatie van chique diners aan huis oppakten in navolging van de brood-, koek- en beschuitfabriek die mijn grootmoeder had overgenomen toen mijn grootvader jong overleed. Vervolgens ging mijn moeder die patisseriewinkel runnen. Ze gaf op een geweldige manier acte de presence achter de toonbank.”

“Het was direct helder dat mijn moeder op die manier haar talenten kon laten zien. Wat ik daarvan heb overgenomen? Dat mijn haar altijd netjes zit (grote lach). Ik heb jarenlang gezien hoe bij de kapper mijn moeders haar werd gedaan.” Met een meer serieuze blik vertelt Louwrien over haar vader. “Hij was een heel aardige man, had altijd een grote glimlach op zijn gezicht. Niet dat hij me op schoot nam, dat was ‘not done’. Op schoot, dat deed je bij je grootmoeder. Het was wel een man die me veel vrijheid gaf. Ik moest duidelijk mijn eigen weg zoeken om een zelfstandige vrouw te worden.” Op haar negentiende verlaat Louwrien het ouderlijk huis. “Mijn ouders hebben daarna nooit meer zomaar contact met me opgenomen of me gebeld. Er was direct een grote afstand tussen ons. Dat hoorde zo. Een kind moest zich ontwikkelen naar eigen inzicht, dat was het motto. Zes jaar later, ik woonde in Amsterdam, heeft mijn vader me voor het eerst uit zichzelf gebeld. Een paar dagen later overleed hij.”

‘Ik had het als jonge vrouw zelf voor het zeggen, dus ik ging niet’

De weg naar het kunstenaar- en schrijverschap ligt dan nog niet voor de hand alhoewel Louwrien al op de middelbare school voor de schoolkrant over kunst schrijft en door een oom vlak na de oorlog regelmatig wordt meegenomen naar tentoonstellingen in het Kröller-Müller museum en het park Sonsbeek in Arnhem. “Misschien dat dat invloed heeft gehad, maar ik was gewoonweg geïnspireerd door de nieuwe tijd. Heel mooi!”. Met een tien voor taal en een tien voor tekenen krijgt ze op de middelbare school van een leraar het advies om naar de kunstacademie te gaan. “Het antwoord van mijn vader was voorspelbaar. ‘Als ze dat wil, zal ze dat zeker doen’, zei hij stoïcijns tegen de tekenleraar. Ik had het als jonge vrouw zelf voor het zeggen, dus ik ging niet. Ik wilde niet de indoctrinatie van een kunstacademie ervaren. Ik wilde niet in dat systeem, ik wilde vrij zijn en daarom koos ik voor HBS-b. In mijn optiek kon je daarmee later overal terecht. Omdat ik wel graag lessen in kunstgeschiedenis wilde, koos ik ervoor dat vak erbij te doen, via HBS-a. Het was bij één van die lessen dat een medestudent me adviseerde kunstenaars te gaan interviewen als ik zo graag over kunst wilde schrijven. ‘Ga de ateliers van kunstenaars in’, zei hij. ‘Dan weet je pas wat kunst is’.”

Dat die opgedane kennis zich jaren later zou openbaren kan Louwrien dan nog niet weten. Ze krijgt nog een ander advies: politicologie studeren, maar ook de academische wereld staat haar niet aan. “Ik wilde liever de journalistiek in en die mogelijkheid leek voor het grijpen omdat mijn oom een krant uitgaf in Epe. Ik werd door hem naar zijn hoofdredacteur gestuurd.” Die blijkt duidelijk een andere mening te hebben en waarschuwt Louwrien voor het feit dat ze als journalist nooit meer tijd zal hebben voor bijvoorbeeld de verjaardag van haar moeder. “Maar dat wilde ik juist.” Na een succesvolle sollicitatie bij het Nieuwsblad van het Noorden* kan ze daar aan de slag. Ze is negentien. In tegenstelling tot de opvoeding die ze had gehad waarbij vrouwen vrijheid kregen en zichzelf moesten en konden ontwikkelen, heeft ze bij de krant een totaal andere positie. “De eerste dag was ik er om kwart voor zeven, de hoofdredacteur die ook over kunst schreef, zat al achter zijn bureau. Toen ik zei dat ik over kunst wilde schrijven antwoordde hij: ‘Dat is voor zeer weinigen weggelegd, je bent hier minder dan het vuil dat kleeft aan de voetzool van de redacteur. Je moet hier alles doen.’” Ze moet vergaderingen verslaan, over een ongeluk op straat snel een stukje schrijven, de scheepvaartberichten bijhouden. “Maar ik mocht ook schrijven voor de kinderpagina en mocht daar tekeningen bij maken.” Het blijkt een harde maar goede leerschool, gaat ze verder. “Naast het bureau van de hoofdredacteur hadden de twee eigenaren van de krant hun kantoor. Omdat zij correspondenten en losse medewerkers per woord betaalden, leerde ik alle overbodige woorden uit een tekst schrappen. Daar werd een tekst eigenlijk wel beter van.”

‘Snel denken en verbanden leggen. Dat is pure energie’

Dat ze het in haar vingers krijgt, bewijst het feit dat ze niet veel later bij een nieuw magazine in Londen terecht komt, de bakermat van het creëren van high-end tijdschriften. “Overdag werkte ik, ’s avonds leerde ik Engels schrijven en in het openbaar spreken bij The British Council. Daar liepen de grote internationale jongens rond om zich de Engelse cultuur en de taal eigen te maken en daar voelde ik me meer en meer een wereldburger worden.” Daar draagt het kennismaken met politieke leiders als Winston Churchill ook aan bij tijdens een tijdelijke baan als assistent van een Nederlandse correspondent in het Lagerhuis. “Daar heb ik snelheid van denken ervaren, wat die wereldleiders kunnen. Verbanden leggen. Dat is pure energie.”

Met een beetje spaargeld en de wens ook Frans te leren schrijven, vertrekt Louwrien voorjaar 1964 naar Parijs waar ze haar zinnen zet op wonen in Hotel de Carcassonne aan de Rue Mouffetard, vlakbij Place de la Contrescarpe. Als ze er na vijf dagen aandringen eindelijk een kamer krijgt, blijkt in het hotel een grote groep Fluxus kunstenaars uit allerlei landen te wonen. Daniel Spoerri uit Roemenië, een Mexicaanse en Indiase Fluxus-kunstenaar wonen er, en de Franse Robert Filliou woont vlakbij. “Een Zweedse Fluxus-kunstenaar in Hotel de Carcassonne maakte mij meteen zijn vriendinnetje. Het waren de kunstenaars die begin jaren zestig streefden naar een eenheid tussen kunst en het leven en kunst als commercieel product verafschuwden. Het was de eerste wereldwijde kunstbeweging, die zich in Europa, Japan en Amerika tegelijk ontwikkelde.”

‘Ik luisterde mee en wist dat dit de kunst was waar ik naar gezocht had’

Musea vinden die Fluxus-kunstenaars veel te veraf staan van het dagelijkse leven en ze hebben een broertje dood aan het feit dat zogenaamde belangrijke personen bepalen wat wel en wat geen kunst is. Hun remedie is: onverkoopbare kunst maken waarmee ze de kunstmarkt ondermijnen. Bekende voorbeelden zijn performances van Yoko Ono, muziek van John Cage, conceptuele werken van Marcel Duchamp, films en gedichten van Robert Filliou. Het is die kunst waar Louwrien zich bij thuis voelt. “De groep vergaderde iedere ochtend op een caféterras aan de Place de la Contrescarpe. Ik luisterde mee en wist dat dit de kunst was waar ik naar gezocht had. Die ik op geen enkele academie had kunnen leren. Het was niet-materiële kunst. Een kunstvorm die een mentaliteit vertegenwoordigde en die indruiste tegen de in opkomst zijnde Amerikaanse kunstmarkt en kunstenaars, een erfenis van na de oorlog toen vooral invloeden uit Amerika Europa in een greep hielden. Zonder dat ik het me bewust was geweest, was ik bij deze beweging betrokken geraakt. En het leeft nog steeds. Er zijn nog altijd Fluxus kunstenaars aan het werk en deze mentaliteit laait regelmatig nog op.”

Ze ontmoet Karel Appel in Parijs

Ze ontmoet in Parijs ook andere kunstenaars zoals Karel Appel die vlak in de buurt zijn atelier heeft. Eenmaal terug in Nederland, vervroegd, vanwege haar zieke vader, heeft ze op haar 23ste al zoveel ervaringen en kennis in de kunstwereld opgedaan dat ze gevraagd wordt te schrijven voor het Kunst & Museumjournaal (bestond tussen 1955-1996). Werken en kennis vergaren is wat ze wil en wat ze doet, ook al duikt er even voor het overlijden van haar vader een mogelijke echtgenoot op die op aanraden van haar vader, vanwege zijn opvattingen over de Tweede Wereldoorlog, het veld moet ruimen. Ze wordt ‘doorgeschoven’ naar schrijver Harry Mulisch, die in die tijd al een grootheid is. “Ik ben hard bij hem weggelopen. Sowieso vond ik het vreselijk dat er ‘aan die andere kant van de IJssel’, in het westen van ons land, zo anders met vrouwen om werd gegaan. Dat was ik niet gewend. Waar ik vandaan kwam was veel meer respect voor vrouwen en werden ze in de gelegenheid gesteld hun eigen keuzes te maken.”

‘Ik wil nooit meer een salaris en werken voor een baas’

Zomer 1965 gaat Louwrien werken voor het Parool. Ze doet mee aan de Telegraafrellen het Bouwvakkersoproer van 1967 in Amsterdam maar moet bij Het Parool vertrekken als ze heeft meegedaan aan de eerste anti-Vietnamdemonstratie. “Ik pakte nooit een steen op, maar ik kreeg wel klappen van agenten met stokken die mepten vanaf hun paarden. De hoofdredacteur zei: ‘Weet je niet dat Amerika ons bevrijd heeft van de Duitsers.’ Vanaf dan heb ik geen baan. Dat vind ik niet erg. Ik wil nooit meer een salaris omdat je dan moet luisteren naar een baas. Dit geeft mij een heel nieuw perspectief,” zegt ze stoïcijns en met een glimlach. Ondertussen is ook haar vader overleden. “Ik ben toen als zelfstandige verder gegaan. Ik ging bijzondere verhalen schrijven voor bijvoorbeeld tijdschrift de Nieuwe Revu. Woonde zes weken in psychiatrische inrichting de Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder in Utrecht en schreef over de mensen die er verbleven. Daar ontmoette ik de kunstenaar Ad Dekkers. Hij was opgenomen als patiënt maar werkte dagelijks in een groot atelier aan zijn vaak witte concrete kunst. Heel indringend. Dit soort reportages werden goed betaald. Ik had ook al drie keer geprobeerd om bij de redactie van het Algemeen Handelsblad aan de slag te gaan maar daar namen ze geen vrouwen aan. Er zat niets anders op dan freelance voor ze te werken. Zo maakte ik tweemaal per jaar een hele pagina over ‘Het Modebeeld van de Kunst’. Onder andere om tegen die korte stukjes van de mannelijke recensenten in te gaan. Toen ik januari 1968 naar New York reisde om voor het Algemeen Handelsblad een hele pagina ‘Avant Garde New York’ te maken over Amerikaanse kunstenaars die Europa wilden veroveren, ontmoette ik aan de pop-art gerelateerde kunstenaar Robert Rauschenberg. Dat werd een ‘turning point’ voor mij. Bij hem was geen sprake van enige concurrentie als het ging om kunst. Bij hem ging het om saamhorigheid en een nieuwe wereld neerzetten. Hij was bevriend met Sandberg van het Stedelijk en was dol op Amsterdam. Een warme, ongelofelijk vriendelijke man, beschermend ook. Ik waardeerde dat enorm.

‘Ik werd er helemaal warm van en het raakte me’

Een half jaar later, in juni 1968, ontmoette ik ook de Duitse Fluxus kunstenaar Joseph Beuys, beroemd door zijn ‘Aktionen im Raum’, later performances genoemd. Dat was tijdens de grote vijfjaarlijkse kunsttentoonstelling in Kassel waar ik in mijn autootje naartoe reed om er verslag van te doen. In Kassel trof ik al die Amerikaanse kunstenaars die ik net in New York in hun ateliers gezien had. Zij moesten met hun werken Europa veroveren, maar ik vond het helemaal geen kunst. Ze waren puur uit op carrière maken. De meesten hadden in tegenstelling tot Europese kunstenaars geen inhoud, maar bij Beuys was dat anders. Ik ging iedere dag opnieuw die zalen in waar Beuys exposeerde. Ik werd er helemaal warm van en het raakte me. Het ging over oorlog voor mij. Puur over die oorlog die ik ook had beleefd, maar het was niet triest. Ik herkende in zijn installaties de sfeer en de rotzooi na een bombardement. De machteloosheid die hij aantoonde met zijn kunst zette zich om in pure kracht.”

Japan BeuysLouwrienSeibuOpening 1
Louwrien met Joseph Beuys tijdens opening tentoonstelling, Japan 1984

Het grijpt haar enorm aan en sinds die tijd pakt Louwrien altijd de vrijheid. Juist in haar werk. “Ik heb nooit meer voor een baas gewerkt en een salaris gekregen. Ik wilde doen waarmee ik wakker werd en dat is nog altijd zo. Ik streef naar een samenleving waarin dat voor iedereen mogelijk is. Dat je op eigen kracht voort kunt.” Tijdens een opdracht om over performancekunstenaar Ben d’Armagnac te schrijven, raken ze beiden bevriend en trekken een aantal jaren met elkaar op. Hij moedigt haar kunstenaarshart aan om ook zelf kunst te gaan maken. “Hij zei: ‘Hou nou eens op met alleen maar schrijven over kunst. Ga eindelijk zelf eens kunst maken.’” Als kunstenaar vertrekt ze begin 1972, met geld verkregen via de Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR), voor een jaar naar Amerika waar ze in het beroemde New Yorkse Chelsea Hotel gaat wonen en daar wederom een groot aantal kunstenaars treft, zoals schilder en schrijver Jan Cremer. Zelf creëert ze een performance in een galerie op Fifth Avenue over het ‘vrouw-zijn’.

‘Bezit is alleen maar handig als je het gebruikt. Ik leefde voor de kunst’

Bij terugkomst in Nederland trouwt ze een Amsterdamse jongen die bezig is kunstenaar te worden, die haar op de radio gehoord heeft en waarmee ze op het PEN-eiland in het IJmeer gaat samenwonen. Ze legt uit dat ze in die periode opeens verliefd werd op werken van metaal en zelfstandige kunstwerken ging maken, sculpturen, van allerlei verschillende metalen. Niet alleen maakt ze kunst, haar hele leven bestaat uit kunst. Burgerlijkheid en bezit zijn figuurlijk en letterlijk overboord gegooid. “Er was en is al zoveel. Ik kocht nooit iets en dat doe ik nog steeds niet. Bezit is alleen maar handig als je het gebruikt. Ik leefde voor de kunst. Kunst met een belangrijke inhoud. Het was en is een eenzame, maar ook een beweeglijke weg. Het gaat puur om vrijheid. Het is niet belangrijk wat anderen daarvan vinden.”

Over het huwelijk heeft Louwrien niet veel meer te vertellen. Het lijkt als een nachtkaars te doven, “hij was er nooit”. Ze komt na omzwervingen in Maastricht, Antwerpen en Bergen in Noord-Holland via woon- en werkruimte voor kunstenaars in november 1975 aan de Herengracht 1 in Amsterdam te wonen, met een kelder voor opslag, de begane grond als atelier en eerste verdieping om te wonen. Ze bekleedt de wanden met materiaal van een Zeppelin uit 1919, om als het ware in de ruimte te zweven, los van het aardse en blijft sculpturen maken. In april 1976 stapt ze in Amersfoort in de Trans-Siberië Expres om aan den lijve te ervaren hoe groot de landvlakte Eurazië is. Want de culturen van Europa en Azië weer één maken is haar wens sedert Beuys niet ophield uit te leggen hoe belangrijk de Euro-Aziatische cultuur is. In Japan, want dat is het eindpunt van de trein die van Londen naar Tokio rijdt in veertien dagen, komt ze niet alleen in het hart van het Zen Boeddhisme terecht, maar ze ontmoet ook veel kunstenaars die meteen met haar over Beuys beginnen te praten. Terug in Amsterdam belt ze Beuys en zegt: “Weet je dat ze in Japan op je zitten te wachten?” “Ja,” zegt Beuys, Professor Hariu van Tokyo University is hier al geweest en hij wil dat ik zo snel mogelijk kom.” Vanaf dat moment stimuleert Louwrien een bezoek van Beuys aan Japan.

Terug aan het schrijfbureau

Zomer 1977 komt kunstenaar Ben d’Armagnac langs en zegt: “Zeg weet je dat je al meer dan zeven jaar je schrijfmachine niet meer gebruikt hebt.” De schrijfmachine weer gebruiken. Wat moest ze doen? Ze begint in 1977 met het interviewen van kunstenaars vlak vóór ze een performance doen en beschrijft dan minutieus de performance die uitgevoerd wordt. ‘Writing as Sculpture’ noemt ze het. Niet veel later verdrinkt Ben d’Armagnac in de Brouwersgracht in Amsterdam, een dag vóór hij een dergelijke performance had willen doen in Arnhem. Twee dagen later interviewt ze Joseph Beuys, die in Arnhem is, en na een reeks interviews met hem en een succesvol boek stuurt Beuys haar door naar Andy Warhol, die met haar het langste interview maakt dat hij ooit gegeven heeft. Het is Warhol die haar aanspoort dezelfde vragen als die ze hem stelt ook aan de Dalai Lama te stellen. Op verzoek van Beuys realiseert ze een ontmoeting tussen Beuys en de Dalai Lama in Bonn op 21 oktober 1982. Met het stellen van steeds diezelfde vragen worden wereldthema’s uit verschillende invalshoeken bekeken en becommentarieerd. Dat dit hout snijdt, blijkt uit het feit dat Louwrien niet veel later de initiator is van haar internationale paneldialogen in het Stedelijk Museum in Amsterdam: ‘Art meets Science and Spirituality in a changing Economy.’ Wat daar besproken is, blijkt nog altijd actueel. Dertig jaar later zitten we midden in de nieuwe tijd waarin genoemde disciplines meer en meer samenwerken om de wereld mooier te maken en ieders talenten tot ontwikkeling te laten komen. De ‘mentale sculptuur’ spreekt voor Louwrien nog altijd. Het is een pleidooi voor de dialoog, voor het permanente gesprek. Waar nu zo’n enorme behoefte aan is.

1981 WarholLouwrien
Warhol en Louwrien

‘Het huis staat als een egoloze sculptuur in het landschap’

Na deze periode leidt wederom de kunst haar naar een nieuwe plek, dit keer in Friesland. Jaren eerder heeft vriend en toonaangevend Frans-Nederlands performance-kunstenaar Graaf Ben d’Armagnac de Castanet (1940-1978), om nu zijn volledige naam maar eens te noemen, een huis gekocht in het buitengebied van het Friese Hallum. Een landarbeidershuisje dat fier in het midden van 66 hectare landbouwgrond staat. Als een egoloze sculptuur midden tussen de landerijen met aardappels, tarwe en bieten. Binnen vijf maanden, als het gaat regenen omdat het herfst wordt, verkoopt Ben d’Armagnac het huis door aan de schoonvader van zijn duo-kunstenaar Gerrit Dekker, maar niemand in zijn gezin wil er wonen of het als tweede huis gebruiken. Hij vraagt Louwrien voor het huis zorgen. Een huis zonder elektriciteit, gas, stromend water, verwarming. In 1978 neemt ze de verantwoordelijkheid op zich.

Ze woont er nog steeds, met levensgezel Egon. “Ik woon er heel fijn. Weet je dat de beste kaarsen Gouda kaarsen zijn, gevolgd door Bolsius. Ik draag in huis vaak zo’n mijnwerkerslamp op mijn hoofd en we gebruiken ledlampjes. Houtkachels zorgen voor een heerlijke warmte.” Water neemt ze mee uit haar atelier in de nabijgelegen Hoofdstraat van Ferwert, de plek waar telefoons worden opgeladen en computerwerkzaamheden worden verricht.

‘Kunst is ook jezelf uitputten. Je gaat tot het uiterste’

Schrijven doet ze nog steeds. Ze heeft net een drukke periode achter de rug vanwege haar schrijven over ‘100 jaar Joseph Beuys’. “Ik heb een subsidie gekregen van het Mondriaanfonds om verhalen naar buiten te brengen zoals panelleden die in 1990 tijdens ‘Art meets Science and Spirituality in a changing Economy’ verwoord hebben. Die verhalen zijn nog altijd actueel. Ook wil ik met mijn verslagen in de jaren zestig geschreven tijdens performances en de interviews met performance-kunstenaars toen, over de oorspronkelijke bedoelingen van ‘performance-art’ naar buiten brengen in het woordgebruik en de manier van denken van die tijd. Dan bedoel ik niet het theaterachtige Abramoviç werk. Dat werd het einde van tien jaar voorzichtig proberen of de kunstenaar buiten het atelier succesvol werk kan maken.” Kritisch blijft ze en volgens levensgezel Egon heeft ze nog alle energie van de wereld. “In haar hoofd,” vertelt hij. “Geestelijk is ze enorm scherp en energiek. Lichamelijk wordt het zwaarder.” “Ook dat is kunst,” haakt ze snel aan. “Kunst is ook jezelf uitputten. Je gaat tot het uiterste. Dat is normaal. Of ik ooit over marketing heb nagedacht om dingen in de wereld te zetten? Nooit.”

Uit alles blijkt dat Louwrien nog altijd avant garde is. Nieuwe levensvormen creëren, experimenteren. Het is haar niet vreemd. “Dat heb je als je niet de hele dag nadenkt over hoe je je geld binnenhaalt. Dan is er ruimte. Ik wil nu de dingen op een rij zetten die volgens mij niet verloren mogen gaan. Het gaat over grote veranderingen. Er is een verandering gaande naar een nieuwe economie met een basisinkomen voor iedereen zodat geld als een bloedsomloop door het lichaam van de maatschappij stroomt. Met referenda om directe democratie te realiseren met adviescolleges die geen beslissingsbevoegdheid hebben, want de kiezer bepaalt de koers. Dan kunnen we eindelijk, eindelijk het partijensysteem afschaffen. We moeten samen van onderaf naar boven werken om een Sociale Sculptuur te maken waarin iedereen toekomt aan het realiseren van de eigen talenten. De ménsen maken de Sociale Sculptuur samen. Creativiteit is het werkelijke kapitaal. Geld heeft niets met kapitaal te maken, geld is een rechtsdocument. En juist de kunst, moet ieder mens de vrijheid geven om talenten en creativiteit te ontwikkelen. Kunst is absoluut het belangrijkste in een maatschappij. De vernieuwing die de beeldende kunst eind 19de en begin 20ste eeuw heeft gebracht, hebben we al honderd jaar weggeduwd door vast te houden aan de overheersing van honderden jaren lineaire wetenschap. Kunst, wetenschap en spiritualiteit moeten voor ieder van ons bereikbaar zijn. Je kunt je eigen creativiteit ontwikkelen door je bezig te houden met één van deze drie pijlers van de cultuur of met een mix ervan. Dan kun je groeien, ga je iets kunnen en uitvoeren. Dat begint bij jou, bij de aarde. Alles groeit van onderaf, nooit van bovenaf uit de lucht. Mensen moeten hiermee bezig gaan. We vallen te snel terug in oude patronen, dan gaat iedereen op maandag gewoon weer verder met alle onzin.” Op de vraag of ze zich daar niet eenzaam in voelt, luidt het antwoord: “Ik ben niet eenzaam, wel vaak alleen en ik ken geen angst. Dat heb ik te danken aan die, ik noem het maar oud-Achterhoekse opvoeding.”

*De krant heette toen Nieuwsblad van het Noorden, maar heet nu Dagblad van het Noorden

Deel dit bericht

Gerelateerde berichten

SYMPATHIEK!

Dit artikel krijg je van FFYS cadeau. Om ons te steunen en meer interviews van Friese onderneemsters te lezen word je voor slechts 10 euro per jaar lid van onze community. Zo blijf jij op de hoogte van wat de Friese zakenvrouw beweegt. En hé; je hoeft geen Fries te zijn om lid te worden 😉