Dit blog verschijnt op 4 mei. Dodenherdenking. Niet als aanklacht, niet als eerherstel. Maar als een verhaal dat verteld moet worden.
Een meisje uit Bergum
Anna Cornelia van der Meer werd geboren op 12 juli 1926, in Burgum. Ze was intelligent. Ze sprak Frans en Duits. Ze haalde haar MULO-diploma en leerde machineschrijven en stenografie. Ze hield van atletiek. Niet het type meisje dat achterover leunde. Ze wilde bewegen, leren, presteren.
Haar vader Durk was oud en kon niet meer werken. Anneke onderhield de familie. Ze werkte op het postkantoor in Groningen. Een vrouw die zichzelf redde en anderen ook.
Maar dat beeld klopt niet helemaal. Want voordat zij de kostwinner werd, liep de wereld al uit de rails.
De broer die ze volgde
Jaap, haar oudere broer, was NSB-lid. Geboren in 1921. Hij geloofde in de beweging. Anneke geloofde in Jaap.
Ze was veertien toen hij haar meebracht naar de Jeugdstorm. 23 augustus 1941. Lidnummer 7156. Ze hield van de sport, de structuur, de uitdaging. Fysiek en mentaal. Ze zat er niet voor de ideologie. Ze zat er voor haar broer, en omdat het haar uitdaagde op een manier die een meisje van veertien weinig andere kansen bood.
Ze had geen leidende functie. Ze volgde.
Op 13 februari 1942 sneuvelde Jaap aan het oostfront. Gusi, Rusland. Hij was twintig jaar oud.
Anneke stopte in juli 1943 met de Jeugdstorm. Meer dan een jaar nadat ze haar reden om te gaan, had verloren.
Willi
De winter van 1944 op 1945 was hard. De Duitsers vorderden arbeid. Anneke moest samen met andere meisjes aardappels schillen voor de bezetter. Verplicht. Geen keuze.
De soldaten waren praktisch bij hen in huis. Anneke sprak Duits, geleerd op school. En ze ontmoette Willi.
Ze werd verliefd. Ze was zestien, zeventien. Hij schreef haar brieven vanuit het front. Eén van die brieven bewaart de familie tot op de dag van vandaag. Hij schrijft liggend in de aarde, spellingsfouten door de haast of de uitputting: “Ich denke immer an dich und die schönen stunden die du mich geschenkt hast.”
Hij werd in maart 1945 overgeplaatst. Ze zag hem nooit meer.
De internering
Op 29 juni 1945 werd Anneke gearresteerd. Kamp Hemrik. Op 5 augustus overgebracht naar Erica Dorp, het interneringskamp in Leeuwarden.
Ze was negentien jaar oud
Haar halfzus Wikje schreef een brief aan het kamp. Wikje, mijn oma, naar wie ik mijn voornaam draag. Ze was de dochter van vader Durk uit zijn eerste huwelijk. Durks eerste vrouw stierf aan tuberculose, toen Wikje acht jaar oud was. Durk hertrouwde daarna met het jongere zusje van zijn gestorven vrouw. Zo ging dat in die tijd. Anneke was de dochter uit dat tweede huwelijk.
Twee halfzussen dus, verbonden door een vader en een verlies dat al begon voor de oorlog.
Wikje’s brief was handgeschreven, wanhopig, vol met feiten die moesten overtuigen: hun moeder lag net geopereerd, vader Durk was 74 en doof en gebrekkig, er waren twee jonge broers van 14 en 17 thuis. Wikje had zelf zes kleine kinderen en was niet sterk genoeg om ook nog een huishouding erbij te hebben. Anneke was thuis nodig.
De commandant zei dat Anneke haar tijd er bijna op had zitten. Ze had geen politieke bemoeienis gehad. Ze behoorde tot de lichte gevallen.
Op 17 oktober 1945 werd ze vrijgelaten. Met huisarrest, want de autoriteiten vreesden voor ordeverstoring. Mensen op straat die hun oordeel klaar hadden over een meisje van negentien.
Het huisarrest werd opgeheven op 21 december 1945. Ze kreeg tien jaar proeftijd als politiek delinquent.
Wat daarna niet meer goed ging
Ze werkte. Ze onderhield de familie. Ze probeerde.
Maar ze kon het niet verwerken. Jaap dood. Haar moeder Geertje, die zich op oudejaarsdag verdronk in de sloot achter het huis. En haar eigen jeugd, die haar was afgenomen in een kamp en een rechtszaal en een vonnis dat haar tot delinquent bestempelde.
Anneke belandde in Groot Lankum, het psychiatrisch gesticht in Franeker.
Depressie. Medicatie. Shocktherapie.
Ze bleef er de rest van haar leven.
De bezoeken
Elke maand gingen we naar haar toe. Mijn opa en oma, mijn ouders, broers en ik. Anneke zat in haar stoel. Ze rookte cigarillo’s met mondstukjes, uit een blikken doosje. Ze keek televisie. Ze maakte woordzoekers.
Ze sprak nooit over wat er was gebeurd. Nooit over de kampen, nooit over Willie, nooit over de brief die haar halfzus voor haar had geschreven. Zelfs mijn moeder wist het niet. Niemand wist het. Anneke heeft het volledig alleen gedragen. Tientallen jaren lang, in die stoel, met dat blikken doosje op schoot.
Ik zag een stille tante. Ik begreep niet wat die stilte inhield.
Pas na haar dood in 2000, toen ze 74 jaar oud was, werd het verhaal langzaam zichtbaar. Sinds 1 januari 2025 hebben nabestaanden toegang tot de gegevens uit de Tweede Wereldoorlog. Op 10 juli 2025 gingen mijn broers en ik naar het Nationaal Archief in Den Haag. De brief van haar halfzus Wikje ligt daar. Willi’s brief ligt daar. De proces-verbalen, de kampregistraties, de uitspraak. Alles wat Anneke nooit heeft uitgesproken, staat keurig geordend in een archiefdoos.
We lazen haar leven terug in andermans woorden.
En ik begreep haar toen pas.
Niet zwart, niet wit
Ik denk niet: ze was fout.
Ze was veertien. Ze volgde haar broer. Ze verloor haar broer. Ze werd verliefd op een soldaat die bij haar in de buurt woonde en haar taal sprak. Ze werd opgepakt, geïnterneerd, veroordeeld. Ze verloor haar moeder aan een sloot op oudejaarsdag. Ze verloor zichzelf aan een instituut in Franeker.
De oorlog is niet zwart-wit. Zeker niet als je kijkt naar de positie van vrouwen. Een meisje van veertien dat haar broer volgt. Een meisje van zestien dat verliefd wordt op iemand die onder hetzelfde dak logeert en van wie ze de taal spreekt. Dat zijn geen politieke keuzes. Dat is het leven van een jong meisje in een bezet land, met een vader die niet meer kon werken en een broer die alles voor haar betekende.
Ze had geen stem. Niemand vroeg wat zij wilde.
Haar naam, en die van mijn oma
Ik heet Wikje. Naar mijn oma, de vrouw die die brief schreef. De halfzus die smeekte om Anneke’s vrijlating, die haar eigen moeder op achtjarige leeftijd aan tuberculose verloor, en die de rest van haar leven deed wat er gedaan moest worden.
Mijn tweede naam is Anneke
Ik draag beide namen. De vrouw die schreef, en de vrouw over wie geschreven werd. Ik heb dat jarenlang niet geweten. Ik bezocht tante Anneke elke maand zonder te begrijpen wat er achter haar stilte zat.
Ik draag haar naam niet als last. Ik draag hem als herinnering. Aan een vrouw die meer was dan haar dossier. Die Frans sprak en atletiek liep en haar familie op haar schouders droeg. Die verliefd was, die rouwde, die brak.
En die elke maand wachtte op bezoek.
Dit verhaal vertel ik op 4 mei. Niet om te oordelen. Maar omdat haar verhaal gezien mag worden. Omdat vrouwen als Anneke te lang onzichtbaar zijn gebleven, gereduceerd tot een vonnis, een diagnose, een stoel in een instelling.
Ze verdient meer dan dat.
Anna Cornelia van der Meer. Bergum, 12 juli 1926. Franeker, 2000.